De uitgang ‘-ard’ wordt in het Frans gebruikt om persoonseigenschappen aan te duiden. ‘Débrouillard’ is een ‘plantrekker’ of een ‘vindingrijk’ persoon. Het is afkomstig van het Franse werkwoord ‘débrouiller’, ‘uit de slag trekken’. Woorden met ‘-ard’ hebben vaak een negatieve bijklank. Maar die Franse uitgang komt eigenlijk uit het Germaans.
Kastaar heeft ook een Germaanse oorsprong. De Germanen gaven hun kinderen vaak namen met persoonseigenschappen in. Ze wilden op die manier hun kinderen die eigenschappen toewensen.
Namen op ‘–hard’ waren daarbij heel populair. Bernhard, Everhard, Reinhard… ‘Bernhard’ is bijvoorbeeld een combinatie van ‘bern’, wat ‘beer’ is, en ‘hard’ wat ‘sterk’ betekent. ‘Bernhard’ zou dus beresterk moeten worden.
De Romaanse volkeren namen later die uitgang ‘-hard’ over als ‘persoon met die eigenschap’. Die namen met ‘–hard’ kwamen heel vaak voor in de Germaanse cultuur. Toen de Romaanse volkeren daarmee in aanraking kwamen, dachten ze dat ‘-hard’ op zich een persoonsaanduiding was.
Via de Romaanse volkeren kwam die ‘-hard’ ook in het Oudfrans terecht. Maar de h viel weg, waardoor de uitgang ‘-ard’ werd. Dat werd dan later als ‘aar’ uitgesproken. Een ‘vieillard’, bijvoorbeeld. Komt van vieille, ‘oud’, plus het Germaanse ‘ard’. Dat werd dan in het Frans een ‘oud persoon’. Later is die uitgang ook uitgebreid naar andere soorten woorden.
Bijzonder is dat we die uitgang opnieuw overgenomen hebben in het Nederlands. Dat gebeurde al in de 13e eeuw. Zo kwamen er nieuwe woorden in onze taal: ‘lafaard’, ‘snoodaard’ of ‘gierigaard’. We hebben ook hele woorden uit het Frans overgenomen: ‘Sjansaar’ voor ‘gelukzak’, en dus ook ‘kastaar’.